Blog Image

Celeste Lupus

Over dit weblog

Celeste Lupus schrijft over: literatuur, politiek, filosofie, recht, economie en wetenschap.

Dokter Zjivago

Literatuur Posted on Tue, February 25, 2020 12:58:03

Het boek Dokter Zjivago van Boris Pasternak verscheen in het jaar 1956 in het westen, terwijl het in de Sovjet Unie verboden bleef. In 1958 kreeg Pasternak de Nobelprijs voor literatuur, die hij niet kon ophalen op straffe van verbanning. Anderhalf jaar later overleed Pasternak, op zeventigjarige leeftijd. Het boek is mede bekend geworden door de film uitgebracht in 1965. Men kan er altijd over gissen of een film een boek echt kan weergeven. Voor mij waren het twee verschillende grootheden. Het boek rekende ik tezamen met Oorlog en Vrede en Anna Karenina van Tolstoj tot de aangrijpendste boeken die ik gelezen had.

Dokter Zjivago past ook wel in die traditie hoewel de boeken van Tolstoj in het tsaristische Rusland spelen. Dokter Zjivago beschrijft de jaren 1905 tot 1929, het tijdperk waarin Rusland omver geworpen werd met wreedheden die het Hitler regiem te boven gingen. Pasternak beschrijft de burgeroorlog tussen de Witten, de verdedigers van de constitutie na de afzetting van de tsaar in 1916, en de Roden, de bolshevisten, een splinterpartij die vasthield aan een al in 1905 opgezet onverbiddelijk strijdplan om de absolute macht te grijpen. De haat kenmerkte het programma en onderdrukking vond daarin zijn rechtvaardiging. Voor een eigen oordeel was geen plaats meer. De machthebber zag daarin het grootste gevaar. Zelfs het geringste vermoeden van een afwijkend oordeel duidde op verraad aan de revolutie, met onverbiddelijke gevolgen, zelfs als het je eigen kind betrof.

Het is die tijdgeest welke Pasternak beschrijft. De jeugd van Joeri Andrejevitsj Zjivago in het nog tsaristische Rusland voltrekt zich onder een ongelukkig gesternte. Zijn het familievermogen verkwistende vader heeft hij nooit gekend en op het graf van zijn moeder ervaart de tienjarige jongen dat hij arm is. De jonge Zjivago wordt in Moskou ondergebracht in het gezin van professor Gromeko waar hij kan studeren voor dokter en later met diens dochter Tonja trouwt. Eerder is hij getuige van de bijna zelfmoord van madame Guichard, een weduwe van een Belgische ingenieur, die een naaiatelier drijft. Haar minnaar, de sluwe advocaat Komarovski, heeft het bestaan haar dochter, de zestienjarige gymnasiaste Larissa of Lara Fjodorovna te verleiden. Later ziet Joera Zjivago met zijn verloofde Tonja hoe op een bal Lara met een pistool schiet en zij de door haar gehate Kornakov, die opstandige spoorlieden aanklaagt, lichtelijk verwondt. Echter de eveneens aanwezige Komarovski, die Lara als jong meisje van haar onschuld heeft beroofd, vermoedt dat hij het echte doelwit was. Niettemin slaagt Komarovski haar te behoeden voor vervolging. Onder die omstandigheden trouwt Lara met Pasja, de zoon van de opstandige spoorman Antipov, haar jeugdvriend, die verbitterd is door wat Komarovski Lara aangedaan heeft.

Lara en Pasja verhuizen naar Joerjatin, een stad in de Oeral, waar Lara als lerares geschiedenis en Pasja als leraar wiskunde aan het plaatselijke gymnasium werkzaam zijn. Ze krijgen een dochtertje Katjenka. Maar hun geluk is kortstondig. De onrustige Pasja neemt dienst in het leger om te vechten tegen de Duitsers. Als hij verdwenen, misschien krijgsgevangen of gesneuveld is laat Lara haar dochtertje Katjenka onder de hoede van een vriendin en neemt ze als verpleegster dienst in het leger om hem te vinden. In het plaatsje Meljoezejevo ontmoet zij Zjivago in een veldhospitaal, die daar ligt nadat hij als legerarts zelf gewond is geraakt. Zjivago schrijft aan zijn vrouw Tonja over de ontmoeting met een bijzondere verpleegster. In hartverscheurende bewoordingen schrijft Tonja terug dat Zjivago dan maar die waanzinnig mooie verpleegster moet volgen naar de Oeral. Inmiddels is in Sint Petersburg de revolutie uitgebroken die zich razendsnel verspreidt. Als Lara verneemt dat haar man Pasja gesneuveld is wil zij met haar dochtertje terug naar Joerjatin. Zjivago wil naar zijn gezin in Moskou, wil Tonja afbrengen van haar dwaalweg dat hij niet meer van haar zou houden.

Voordat zij ieder huns weegs gaan hebben Zjivago en Lara een gesprek over de staat waarin het land zich bevindt. Als antwoord op de misstanden in het tsaristische Rusland meenden beiden de revolutie te kunnen begrijpen, die echter snel ontaard is en zij hun leven niet zeker zijn, zij zich zo goed en zo kwaad als het gaat alleen als dokter en verpleegster staande kunnen houden, zij verdacht blijven, niet alleen door hun bourgeois afkomst maar ook door eigenzinnig geluid. Als Lara bemerkt dat Zjivago in verwarring geraakt door gevoelens voor haar verwijt zij zich dat en spreekt hem bitsig toe tot zichzelf te komen. Daarna reizen zij af. Voor Zjivago is de treinreis naar Moskou gevaarlijk door rebellen die onderweg op stations te keer gaan. Tijdens de reis denkt Zjivago na over wat er veranderd is. Een vredig leven met Tonja en zijn zoontje Sasja is onmogelijk geworden. Zijn hartstocht voor de revolutie zoals die in de geesten van goedwillenden woedde is voorbij. Hij beseft dat de soldatenrevolutie is overgenomen door bolsjewieken met hun meedogenloze programma. In de aangebroken tijd van oorlog en verschrikking met alle meedogenloosheid die daarbij komt straalt Lara een beeld uit van onverzettelijkheid.

Het gist in Rusland en er zijn voortdurend straatgevechten. Het is onduidelijk welke kant het opgaat. In Moskou bewoont de familie van Tonja nog maar drie kamers van het grote huis van haar vader, opgeëist door de raden van de revolutie, de sovjets. De revolutie is in volle kracht losgebarsten en de bourgeoisie moet vrezen voor haar leven. Velen kunnen voor het minste of geringste opgepakt en terecht gesteld worden.

Op aanraden van Jevgraf,de stiefbroer van Zjivago, die goede verbindingen met het gezag heeft, onderneemt het gezin Zivago met de schoonvader, professor Gromeko, voor hun veiligheid de reis naar het landgoed Varykino, van Krüger, de grootvader van Tonja, dichtbij de stad Joerjatin in de Oeral. Zjivago is tegen de reis omdat hun verwantschap met grootvader Krüger, eigenaar van het landgoed en de fabriek, hen noodlottig zal worden. Tonja en haar vader geloven echter dat de rentmeester Mikoelytsin hen zal beschermen. Met veel moeite door bemiddeling bemachtigen zij in de lange trein met 23 wagons, waaronder een paar personenwagons, hun plaatsen. De treinreis vordert zeer langzaam en is vol van gevaar. Meereizende matrozen, onberekenbare helden van de revolutie worden gevreesd. Op  tussenliggende stations verkoopt het gezin hun linnengoed voor eten . Orde en gezag ontbreken, er dreigt voortdurend onraad, gevaar.

De treinreis naar de Oeral doet er weken, zo niet maanden over. Als het al winter geworden is moeten er door de reizigers in een bos bomen gekapt worden om de locomotief weer op stoom te krijgen. Onderweg komen zij langs platgebrande dorpen en stations waar Streljnikov, de legerkommissaris van de Roden, het gebied op de Witten terugveroverd heeft. In een voorstadje van Joerjatin houdt de trein stil op een rangeerterrein. Als Zjivago uitstapt om een luchtje te scheppen wordt hij door twee schildwachten opgebracht naar de gepantserde trein van Streljnikov op verdenking een ontsnapte gevangene en zijn lot bezegeld lijkt te zijn. Zjivago heeft het geluk dat Streljnikov hem ziet die beslist dat hij dat niet kan zijn en hij vrij man is ondanks de verdenking en de bevestiging door Zjivago zelf dat hij verwant is aan de grootgrondbezitter Krüger. Toch nodigt hij Zjivago uit voor een gesprek. Streljnikov, een knappe man van wie een natuurlijk gezag uit gaat, maakt indruk op Zjivago. Streljnikov vertelt dat zij de Witten onder aanvoering van zijn vroegere schoolkameraad Galjoellin op de vlucht hebben gejaagd. In de legertrein staart Streljnikov naar buiten waar in de verte Joerjatin ligt waar zijn vrouw en kind moeten zijn, naar wie hij pas kan gaan als zijn taak volbracht is.

Eindelijk komt het gezin van Zjivago aan op het landgoed in Varykino,waar ze niet hartelijk ontvangen worden door de rentmeester Mikoelytsin, die moeilijkheden verwacht door hun verwantschap met zijn vroegere landheer Krüger, vooral omdat Tonja zo op haar grootvader lijkt. Toch krijgt het gezin een bijgebouw en een lapje grond voor een moestuin toegewezen. Van Jelena Prokovna, de jonge tweede vrouw van Mikoelytsin, hoort Zjivago over de legende van de als Streljnikov herrezen Antipov, als krijgsgevangene van de Duitsers doodgewaand, maar gevlucht, haar vroegere leraar wiskunde op wie alle meisjes verliefd waren, getrouwd met een lerares.

In de winter in Varykino begint Zjivago te schrijven, gedichten, aantekeningen over het verschijnsel leven, over recht en onrecht, over de natuur, over de menselijke lotsbestemming, over de ongelijke verdeling van de welvaart. In de lente raakt Tonja in verwachting. Zjivago’s broer Jevgraf komt hen opzoeken, die door zijn verbindingen met het gezag kan zorgen voor hun veiligheid. Voor zijn onderzoekingen bezoekt Zjivago de bibliotheek in Joerjatin. Onder het lezen ziet hij een nieuwe bezoekster in wie hij Lara herkent, door allen uiterst welwillend begroet. Hij probeert haar uit zijn gedachten te zetten, maar herinnert een stem uit één van zijn dromen, die van Lara geweest moet zijn. Zij is onweerstaanbaar terwijl zij niet wil behagen. Als hij zijn boek terugbrengt naar de toonbank van de leeszaal ziet hij op een kaartje tussen de door Lara teruggebrachte boeken haar adres. Dagen later zoekt Zjivago haar op en vindt haar bij de waterput met een juk en twee emmers water over haar schouder. Door de wind waait haar hoofddoek af die Zjivago achterna rent en haar aanreikt. Beiden proberen hun gevoelens over het onverwachte weerzien te verbergen. In de woning waar Lara met haar dochtertje Katjenka woont wemelt het van de ratten. Met gebroken glas wordt de slaap- en zitkamer afgeschermd. Zjivago mijmert ‘zij leest met een kracht als was het lichamelijke arbeid, zij doet het lichamelijke werk alsof zij leest, licht en zonder moeite, alles gaat haar licht af. Alles is natuurlijk aan haar’. Zjivago vertelt Lara over zijn ontmoeting met Streljnikov, haar man, wat diepe indruk op haar maakt. Zij vraagt of hij echt zo meedogenloos is, wat Zjivago ontkent. Toch zal het slecht met hem aflopen volgens Zjivago, omdat hij zoveel leed heeft aangericht. Hij is een werktuig van de bolsjewieken die zich van hem zullen ontdoen zolang hij niet langer nodig is. Lara verbaast zich over de verbitterde toon van Zjivago over de revolutie. De strijd om Joerjatin is gewonnen door Streljnikov die Galioellin op de vlucht heeft doen slaan. Toen deze nog heerste in Joerjatin heeft Lara wel met diens hulp mensen kunnen redden. Als klein meisje had ze vaak gespeeld op de binnenplaats waar hij woonde. Zjivago verbaast zich erover dat Streljnikov de man is van Lara. Zijzelf begrijpt niet dat haar man haar niet is komen opzoeken nadat hij Joerjatin had ingenomen terwijl hij wist waar zij waren. Zijzelf had belet proberen te krijgen bij hem, de gouverneur van de stad, wat geweigerd werd door zijn adjudant nadat zij hem vertelde dat het om een persoonlijke zaak ging. Lara vertelt over de gruweldaden die de Witten in Joerjatin begingen. Toch begrijpt ze niet dat de joden het ongeluk niet uit de weg gaan, niet kunnen opgaan in andere mensen voor wie zij het monotheïsme hebben geschapen. Pavel Antipov, de vader van Streljnikov, vroeger opzichter bij de spoorwegen, is lid geworden van een revolutionair tribunaal, maar vader en zoon zien elkaar nooit meer, alsof mensen kiezelstenen zijn geworden met hun principes en disciplines, aldus Lara.

Tijdens zijn bezoeken aan Joerjatin verblijft Zjivago meestal bij Lara, onder het voorwendsel voor zaken te zijn opgehouden en in een herberg te hebben overnacht. Op de avond naar Varykino terug te willen keren en zijn ontrouw aan Tonja op te biechten wordt Zjivago ontvoerd door de woudbroeders, partizanen, onder leiding van Liveri, de zoon van Mikoelytsin, die een legerarts nodig hebben. De partizanen leven in Siberië ondergronds waar de sovjets zijn teruggeworpen, en de macht is overgegaan op een opperste regent Koltsjak. Het platteland verkeert in volledige wanorde. De winkelierster Galoezina in de nederzetting Chodatskoje met woonkazernes voor werklui aan het spoor slaakt menige verzuchting. Rusland was vroeger een jong meisje dat echte vereerders, echte beschermers had. Nu is de glans er overal af, zijn er alleen nog maar burgerlijke ploerten, advokaten en joden die dag en nacht onvermoeid hun woorden herkauwen tot zij er in stikken. Het was allemaal de schuld van de jood Lejb Trotski. In Chodatskoje is de macht in handen van vroegere politieke gevangenen zoals Tiverzin en Antipov. Die hadden hun leven tussen spoorwegmachines doorgebracht en waren nu zelf even koud en genadeloos als die machines geworden. Galoezina vindt zichzelf een voortreffelijke vrouw, zelfstandig, goed geconserveerd en intelligent. Maar voor die eigen eigenschappen bestaat geen enkele erkenning in die afgelegen negorij.

Ondertussen proberen politieke agitatoren uit Moskou de plattelandsbevolking, de werkende boerenstand op te zetten tegen het burgerlijke regime in Siberië. Op geheime vergaderplaatsen vinden bijeenkomsten plaats onder bescherming van de jonge partizanenleider Liveri. De keuring van jonge recruten in de plaatsjes Koetjejni en Jermplaj wordt verstoord door provocateurs. Jonge recruten ontsnappen, worden achterna gezeten door de militie. De gevluchte recruten kiezen voor het woudleger. In de winter heeft dokter Zjivago het in het woudleger vooral druk met vlektyphus en in de zomer met dyphterie. Het woudleger is vertienvoudigd met nieuwe opstandelingen en overlopers uit het vijandelijke kamp. Tijdens een confrontatie met de Witten wordt hij gedwongen het vuur op hen te openen en meent de jonge Witgardist Serjozja Rantsevitsj gedood te hebben, die schijndood blijkt te zijn. De kogel was tegenhouden door een gouden kokertje op zijn borst. Zjivago verzorgt en verbergt hem. Na zijn herstel laat hij hem gaan terwijl hij toch de strijd tegen de Roden weer wil opnemen. Zjivago wordt gedwongen vele nachten met de jonge legercommandant Liveri door te brengen. In het woudleger dreigt opstand door raddraaiers die gemene zaak maken met de vijand en Liveri willen vermoorden. Zjivago wil Liveri waarschuwen, hoewel hij zelf vaak diens dood gewenst heeft. In de winter is het woudleger omsingeld door de Witten en is er gebrek aan van alles. Temidden van de partizanen, in het bos in Siberie droomt Zjivago hallucinerend van Lara wier linkerschouder geopend is met een sleutel en een zwaard waar in de bodem van haar holte haar zielsgeheimen blijken te liggen. Vreemde steden die zij bezocht heeft, vreemde straten, vreemde huizen worden er als linten uit getrokken, worden als een kluwen lint afgerold en als rolletjes naar buiten geworpen. Het was die onvergetelijke eenvoudige en heftige lijn, waarmee de schepper haar in één penseelstreek heeft neergezet, die goddelijke omlijsting, waarin de schepper haar had gewikkeld als een kind dat men pas gebaad heeft in een stevig omgeslagen beddenlaken en waarin hij haar aan Zivago’s hart had toevertrouwd.

De wreedheden nemen toe. De Witten laten een gevangene, waarvan rechterarm en linkerbeen zijn afgehakt en op de rug gebonden, naar het woudleger toe kruipen om zo de overgave te eisen. Pamfyl Palich, een gestoorde in het woudleger, slaat dan zijn vrouw en kinderen dood in razernij van verdriet. De Witten en de Roden wedijveren met elkaar in fanatisme en wreedheid. De Roden zijn aan de winnende hand en jagen op Koltsjak langs de grote spoorlijn naar het oosten om hem in zee te drijven. Zjivago ziet hallucinerend Tonja met zijn kinderen door een sneeuwstorm lopen.

Uiteindelijk weet Zjivago uit het woudleger te ontsnappen. Na vele ontberingen, terug in Joerjatin is de stad in handen van de Roden. In Lara’s huis vindt hij haar handgeschreven brief dat zij weet hoe hij ontsnapt is. Ze is naar Varykino gegaan waar ze geholpen heeft bij de bevalling van Tonja. Van de schoonzuster van Mikoelytsin, Toentseva, die Zjivago knipt en scheert, verneemt hij dat Tonja met de kinderen en haar vader terug zijn naar Moskou waar haar vader als professor in de landbouw heen is geroepen door het Rode Bewind om de landbouw weer op poten te zetten. In zijn koortsfantasieën droomt Zjivago afwisselend van Tonja en Lara, het duizelt hem. Tot hij wakker wordt en bemerkt dat hij door Lara gewassen en verpleegd wordt. Ze wil dat hij teruggaat naar zijn gezin in Moskou. Wat niet kan omdat ze beiden verdacht zijn en moeten proberen in Joerjatin hun beste beentje voor te zetten voor het nieuwe Rode Bewind. Zjivago krijgt een brief van Tonja met het bericht dat de familie verbannen is naar Frankrijk en hij ze nooit terug zal zien. Komarovski komt langs in Joerjatin en zegt dat hun leven niet zeker is. Hijzelf is gevraagd als minister van justitie in een nieuwe republiek in Siberië voortkomende uit de omvergeworpen Voorlopige Regering en de met verlof gezonden Constitutionele Raad. Hij wil Lara meenemen tezamen met Zjivago omdat Lara anders niet zal gaan. Maar voorlopig vluchten Lara en Zjivago naar Varykino. In Varykino, het is hartje winter, daar schrijft Zjivago zijn gedichten. Uiteindelijk weet Komarovski hen ook daar te vinden en biedt hen de gelegenheid vanuit Joerjatin te vertrekken met de diensttrein van de Voorlopige Regering die onder stoom ligt  voor vertrek naar het oosten. Komarovski weet ook te melden dat Streljnikov gepakt en ter dood veroordeeld is, draagt Zjivago op dat voor Lara te verzwijgen. Lara’s leven als zijn vrouw en dat van hun dochtertje Katjenka zijn nu ook in gevaar. Zjivago vraagt Lara met Komarovski te vertrekken zeggende dat hij een dag later zal komen, wat een leugen is om bestwil. Lara en Katjenka vertrekken met Komarovski. Zjivago blijft achter. Na een aantal dagen vol vertwijfeling vat Zjivago het plan op terug te keren naar Moskou. Voordat hij kan vertrekken komt een vreemdeling hem bezoeken, een man die hem vaag bekend voorkomt. Het is Streljnikov die hoopte daar zijn vrouw en dochter te treffen. Hij weet dat Zjivago bij haar woonde. Ondanks zijn jaloersheid spreken zij ruimhartig met elkaar. Strelnjikov is op een valse aanklacht voor de krijgsraad gedaagd en leeft al enkele maanden ondergedoken. Streljnikov verhaalt over zijn hartstocht voor de revolutie en hoe hij Lara had ontmoet, als kind als meisje, leerlinge van het gymnasium, maar in haar ogen kon je de waakzaamheid en onrust van deze eeuw al aflezen. Beiden spreken over Lara en kunnen eerbied en ontroering nauwelijks verbergen. Streljnikov weet dat de woorden van Zjivago het laatste zijn wat hij van Lara zal vernemen. Ze zullen hem arresteren. De volgende dag, Strelnjikov heeft bij hem overnacht, vindt Zjivago Streljnikov buiten liggen in de sneeuw, hij heeft zichzelf door het hoofd geschoten.

Na een tocht van maanden keert Zjivago terug in Moskou waar het politieke klimaat iets milder geworden is. De oude conciërge van zijn schoonvader Markel is opgeklommen tot wijkcommandant. Zijn dochter Marina wordt Zjivago’s derde vrouw en ze krijgen twee dochtertjes Kapka en Klajka. Marina offert zich helemaal op voor Zjivago wiens eigenaardigheden steeds vreemdere vormen aannemen. Door zijn schuld geraken zij in bittere armoede. Zijn oude vrienden uit zijn jeugd, Doedorov en Gordon, nu behorende tot de betere kring van professoren, proberen Zjivago te beleren maar missen zelf ieders redenaarstalent. Het langs elkaar heen praten van Doedorov en Gordon tegenover en met Zjivago komt doordat Doedorov en Gordon gehersenspoeld zijn door de revolutie terwijl Zjivago zichzelf is gebleven, wat hem in de ogen van anderen tot een zonderling maakt.

Op een dag is Zjivago verdwenen. Marina is teneinde raad, klopt aan bij Doedorov. Maar Zjivago verkeert onder de hoede van zijn halfbroer Jevgraf Zjivago, die hem ook geld verschaft voor Marina om van te leven en Zjivago ook een goede betrekking in een ziekenhuis bezorgt. Jevgraf stelt zijn halfbroer Joeri ook in de gelegenheid als dichter en wetenschapper te werken.

Op een snikhete dag in de tram, die stilstaat vanwege en mankement, wordt Zjivago niet goed, wringt zich naar buiten door de mensenmassa heen die hem verwenst, stapt eindelijk van de tram op straat, doet een paar passen en sterft aan een hartverlamming. Marina is ten einde raad. Doedorov en Gordon ontfermen zich over haar. Als een man met zijn onderzoekende, de nieuwsgierigheid opwekkende Kirgiezische spleetogen, in gezelschap van een achteloos schone vrouw de lijkkamer betreedt verlaten allen, Marina ingezonderd, het vertrek. Het is Larissa, kennelijk in Moskou op zoek naar verloren herinneringen, in gezelschap van Zjivago’s halfbroer, Zij verneemt van Jevgraf dat haar man Antipov of Streljnikov zich van het leven heeft beroofd, na eerst uitvoerig met Joeri Zjivago te hebben gesproken. Bij alle herinneringen die haar doen verstijven en misselijk maken verlaat Lara de lijkkamer. Een aantal dagen later wordt zij gearresteerd en sterft of verdwijnt als een naamloze in een van de ontelbare concentratiekampen in het noorden.

Midden in de oorlog in 1943 na de omwenteling tegen de Duitsers bij Koersk overnachten majoor Doedorov en tweede luitenant Gordon in het plaatsje Tsjerni. Het wasmeisje Tanja zal hen schone kleren bezorgen. De halfbroer van Joeri Zjivago, generaal Jevgraf Zjivago, speurt naar gegevens over een oorlogsheldin Christina Orletsova. Het wasmeisje Tanja was een vriendin van haar. Doedorov en Gordon hebben in strafkampen gezeten, maar zijn gerehabiliteerd. Het vreemde is dat Tanja dezelfde glimlach heeft als Joeri Zjivago en aantrekkelijk is ondank haar te korte neus en hoekige jukbeenderen. Haar bijnaam is Tanja de Waardeloze omdat zij haar ouders nooit gekend heeft. Als Tanja met Doedorov en Gordon wachten op de vrachtauto die hen zal ophalen vertelt Tanja over haar gesprek met generaal-majoor Zjivago. Die hoorde haar uit over Christina Orletsova. Gaande het gesprek werd hij steeds geïnteresseerder in haar zelf. Tanja vertelt dat zij eigenlijk de dochter is van de vrouw van een minister in Wit-Mongolië, kameraad Komarov, maar dat die niet haar vader is. Komarov had haar moeder in de trein gezet op de vlucht voor de Roden naar Mongolië. In de trein beviel zij van Tanja en heeft haar aan de baanwachtersvrouw Marfa gegeven, in Nagornaja, drie haltes van Moskou. Het zou tijdelijk zijn, maar het werd voor altijd omdat Komarov niet van kinderen hield. Als Tanja een jong meisje is wordt Marfa thuis overvallen wordt door een onverlaat die haar geld wil stelen. Ze raakt waanzinnig en stuurt de schurk de kelder in met het stiefbroertje Petjenka met de lamme beentjes als gegijzelde en sluiten ze op door het luik dicht te gooien en op slot te doen. Als er een legertrein langzaam voorbij komt waarschuwt Tanja de soldaten die de schurk uit de kelder trekken en rijden met de trein over hem heen. Tanja vertrekt met de soldaten, gaat mee in de trein. Na haar verhaal begrijpen Doedorov en Gordon wie het wasmeisje Tanja eigenlijk is.

Ondanks enkele onwaarschijnlijkheden biedt het boek een indrukwekkend verhaal. De stief- of halfbroer Jevgraf van dokter Zjivago komt zo nu en dan als een duveltje uit een doosje de dokter uit de brand helpen. Hoe die daarin slaagt is volstrekt onduidelijk, ook al omdat Jevgraf ontsproten moet zijn uit een buitenechtelijke liaison van de vader, een losbol die na zijn fortuin er doorheen gejaagd te hebben zelfmoord pleegt, met een gravin, maar deze nakomeling onder de wisselende machtsverhoudingen als een soort Talleyrand er toch in slaagt hoge machtsposities te blijven bekleden, die niet verenigbaar zijn met zijn afkomst, iets wat de zachtmoedige dokter Zjivago juist opbreekt.

Uit het boek spreekt de stem van het geweten dat niet kan zwijgen. Steeds opnieuw in de geschiedenis duiken er geloofsovertuigingen, religieus of niet, op met als rechtvaardiging te mogen liegen en te moorden. Steeds opnieuw vormt zich een cultuur dat andersdenkenden niet verdraagt. Het is niet voor niets dat het boek sluit met de gedichten van dokter Zjivago, geschreven in zijn kluizenaarsbestaan in Varykino, waar hij zich zijn verbeelding van het leven op papier kon zetten en voor zolang het duurde gelukkig moet zijn geweest. De buitenechtelijke relatie van dokter Joeri Zjivago met de lerares, verpleegster Larissa Antipova moet het zinnebeeld zijn van de lotsverbondenheid tussen gelijkgestemden in een wereld van gruwelen dat zijn weerga niet kent.



Stadhuis op stelten

Literatuur Posted on Tue, September 10, 2019 18:28:38

Vannacht had ik een droom. Over iemand die zich een televisieserie uit zijn kinderjaren herinnerde en voor zichzelf de koosnaam Stadhuis bedacht. Hij, die in het echt Ivo heette had daar binnenpretjes over. Want als het uitkwam wat hij als minister allemaal had uitgespookt zou het zeker Stadhuis Opstelten worden. Zo ginnegapte hij in zichzelf. Ivo was eigenlijk zijn dekmantel.
Ook voordat hij minister was gedroeg hij zich al zo. Dus toen hij dat wel was ging dat met dubbele kracht verder. Van zo iemand wordt verwacht dat hij het voortouw neemt. Er waren hinderpalen natuurlijk, de wetenschap, de scheiding der machten, maar dat gold alleen voor geletterden die niet begrepen wat er aan de hand was. Dus toen die criminaliteitscijfers niet bevielen moest daar wat aan gedaan worden. Je was nu eenmaal een belhamel voor de goede zaak, een kwajongen zoals je dat vroeger in die televisieserie zag.
En dan deed zich ook nog zoiets als een leuk speeltje voor. Dat was die verdomde Wilders die zijn eigen partij benadeelde met zijn ‘minder Marokkanen’ geroep. Ivo wilde dat ook wel, maar wist ‘zwijgen is goud’. Hij meesmuilde, het pootje lichten kwam bij hem op. Zoals Poetin liet zien dat wat waar is alleen door hem bepaald werd was om je vingers bij af te likken.
Binnenskamers liet Ivo, voor zichzelf Stadhuis, hier en daar een woordje vallen bij lieden waarvan hij wist dat die een bloedhekel aan die Wilders hadden. Die welgebekte praatjesmaker had hen een kunstje geflikt, ze zouden hem een koekje van eigen deeg geven. Het viel ook mooi in de lijn der tijd. De woorden haatzaaien en racisme hadden een heerlijke demonische dimensie gekregen. Zelfs bedelaars die een hap brood in plaats van centen toegeschoven kregen, terwijl je daar niet van kon blowen, lustten er pap van. Ook bij hen viel snel het woord ‘nazi’.
Er was bij Ivo eigenlijk maar één zorg. Met dat Stadhuis kon hij niet over straat.



Marnix Gijsen

Literatuur Posted on Sun, July 21, 2019 16:06:36

MARNIX GIJSEN en GERARD VAN HET REVE

Ik herinner mij de Vlaamse schrijver Marnix Gijsen toen hem indertijd gevraagd werd wat hij vond van het werk van Gerard van het Reve, niet Gerard Reve zoals u wellicht zult opmerken, want toen noemde hij zich nog niet zo. Marnix Gijsen reageerde lichtelijk verstoord dat men zijn mening vroeg. Hij mompelde iets wat erop neer kwam dat hij weinig op had met dat ophemelen van de herenliefde. Alsof dat alles was waar die zogenaamde volksschrijver zich mee bezig hield, alsof die tegendraadse verlangens het walhalla op aarde zouden weerspiegelen.

Ik parafraseer hier, afgaande op mijn herinnering hoe die wereld van Gerard van het Reve op de erudiete Vlaamse schrijver Marnix Gijsen destijds over kwam. Als men de geschriften van de laatste leest is het niet verwonderlijk dat hij zich weerspannig toonde tegenover wat hij misschien zag als een gril, een modetrend om te koketteren met wat door de goegemeente, waartegen Gerard van het Reve zich tegelijkertijd wilde afzetten, als minder gevoeglijk, minder welkom zou worden gezien.

De leidraad in het werk van Marnix Gijsen is hoe broos het anker is waarmee men zijn houvast zoekt. In het geval van Marnix Gijsen is dat de vrouw die hij het liefst aanbidt, maar soms verwenst omdat ze weigert te voldoen aan het beeld dat hij voor ogen had, hij toch de afgrond ziet door zijn onmacht haar zuiverheid te zien.

Marnix Gijsen is het tegenovergestelde van Gerard van het Reve, die het kon hebben over ‘mijn geleerde broer’, een professor in de Slavische talen. Als een studeerkamergeleerde beziet Marnix Gijsen de wereld die niet beantwoordt aan het ideaalbeeld. Hem rest slechts de gave van het woord dat te laten zien, waarbij hij wellicht gedacht  zal hebben aan de woorden van Gotthold Ephraim Lessing Die Suche nach der Wahrheit ist mehr wert als ihr Besitz

En dan wordt hij geconfronteerd met een verschijnsel dat in zijn ogen niet meer kan zijn als gelukzoekerij zonder boodschap. Met een schrijver, als men hem zo noemen mag, die zich verliest in spitsvondigheden, die half schrijft als halph, waarmee men in de reclamewereld ver komt, maar het de gebreken verdoezelt waar een groot schrijver aan moet voldoen. Want dat was toch wel de dwingende kant van de vraag die hem gesteld werd, om het succes van zijn vakbroeder te verklaren, die er een speeltje in zag heilige huisjes neer te halen wat zoveel geestdrift wekte.

Voor Marnix Gijsen moeten het goedkope successen geweest zijn. Ik weet dat natuurlijk niet zeker, maar ik denk het wel.



Les particules elementaires

Literatuur Posted on Sun, May 26, 2019 18:40:34

Het boek Les particules elementaires, in de Nederlandse vertaling Elementaire deeltjes, van Michel Houellebecq is een merkwaardig boek. Het beschrijft het leven van twee halfbroers, Bruno Clément en Michel Djerzinski, die beide geen relatie kunnen opbouwen.

Bruno is leraar, trouwt met een collega Anne, die hem een zoon geeft voor wie hij zich alleen financieel verantwoordelijk voelt, maar bij wie hij zijn seksuele fantasieën niet kwijt kan. Na zijn scheiding gaat hij verder met Christine die hij ontmoet had in een vakantiepark waar mannen en vrouwen op zoek waren naar seks.

Met Christine gaat hij naar parenclubs tot zij door een zwakke rug in een rolstoel belandt, daarmee van de trap valt en sterft. Bruno belandt uiteindelijk in een inrichting waar zijn seksuele verslaving onderdrukt wordt met zware medicijnen. Michel wordt een wereldvermaarde celbioloog.

In tegenstelling tot Bruno, die gebukt gaat onder een weinig indrukwekkendvoorkomen met een te klein geslachtsapparaat, werd Michel in zijn jeugd, in het plaatsje Crecy-en Brie, waar hij bij zijn grootmoeder woonde, aanbeden door de beeldschone Annabelle Wilkening, een meisje van Friese komaf.

Beheerst door zijn latere wetenschappelijk werk laat hij Annabelle aan haar lot over. Op veertigjarige leeftijd ontmoet hij haar weer in Crecy-en Brie, omdat het graf van zijn grootmoeder geruimd moet worden en Annabelle daar is omdat haar vader was overleden. Annabelle, veertig jaar oud, is nog steeds beeldschoon, heeft gewerkt bij de Franse televisiezender TF1, is ondanks vele affaires en enkele abortussen nog steeds ongetrouwd.

Tussen beiden herleeft het verleden toen ze als kinderen met elkaar speelden. Als Annabelle hem vraagt haar een kind te schenken stemt hij toe. Maar Annabelle krijgt een miskraam, terwijl bij haar baarmoederhalskanker vastgesteld wordt. Na haar crematie vertrekt Michel naar Schotland om te werken aan het onderzoek naar het klonen van genen waardoor voor de biologische evolutie de seksualiteit bijzaak zal worden.

De schrijver Houellebecq wil ons laten zien dat de geest van de wetenschapper Michel beheerst wordt door een andere obsessie dan die van Bruno, om langs wetenschappelijke weg achter het raadsel van het leven te komen. Een wetenschapper geeft niet om macht, fortuin of eer. Voor hem geldt het onderzoek. Zijn leermeester Desplechin houdt hem voor: het verstand, de rede gaat boven alles en zal alles trotseren. Djerzinski wordt geraakt door de opstelling van de natuurkunde tegenover de metafysica. In het boek komen de namen van Albert Einstein, Niels Bohr en de positivist Auguste Comte voorbij.

Het is onduidelijk of Houellebecq zich echt een voorstelling van het gedachtegoed van deze geleerden heeft kunnen maken of dat het aanstippen van hun werk dient als sfeertekening, zoals de dichter Gerrit Achterberg in zijn gedichten kon spelen met wiskunde en natuurkunde, zonder dat het hout sneed.

Het blijft gissen wat Houellebecq met zijn boek heeft willen zeggen. De celbioloog Michel Djerzinski lijkt te zoeken naar het wezen van het leven door elementaire deeltjes te bestuderen. Anders dan zijn halfbroer Bruno blijven bij Michel de oerdriften onderworpen en ondergeschikt aan zijn geest. Hij stelt de wetenschap boven alles als de enige bron tot het werkelijke inzicht in het wezen der dingen.

Houellebecq gaat het uit de weg, maar die deterministische benadering botst met verschijnselen als kunst en muziek, waar het raadsel van de ontroering een rol speelt, een ervaring die men nimmer doormiddel van een microscoop kan bereiken. Het is wel duidelijk dat Houellebecq hiermee geworsteld heeft, ook met de vleselijke lust zelf.

Toch, bij het lezen van het boek kwam bij mij de controverse naar boven zoals die verwoord werd door Albert Einstein in zijn artikel in Science van 15 mei 1940, getiteld Considerations concerning the fundaments of theoretical physics, waarin hij schreef:

Some physicists, among them myself, can not believe that we must abandon, actually and forever, the idea of direct representation of physical reality in space and time; or that we must accept the view that events in nature are analogous to a game of chance. It is open to every man to choose the direction of his striving; and also every man may draw comfort from Lessing’s fine saying, that the search for truth is more precious than its possesion.



De Matthäus

Literatuur Posted on Mon, April 22, 2019 12:47:37

Dit paasweekeinde beluisterden wij de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach en wel een recentelijke versie van Reinbert de Leeuw, ontvangen van een goede vriend, en een veel oudere versie van Nicolas Harnoncourt uit mijn eigen bezit. Is er een verschil in beleving? Het is in beide gevallen hetzelfde verhaal. In dramatiek doet het ene niet onder voor het andere. Harnoncourt is wat gepolijster, ook authentieker met echte jongenssopranen. Het belangrijkste verschil vond ik de Jezus vertolking. Bij Harnoncourt was dat Karl Riddderbusch en bij Reinbert de Leeuw Andreas Wolf. Het is mij altijd een raadsel geweest waarom Bach voor de stem van Jezus een bas liet klinken. Jezus stierf toen hij ongeveer vijfendertig jaar oud was, een jonge man in de kracht van zijn leven. Daar had een tenor bij gepast, voor zijn vurige momenten een heldentenor en voor het overige een lyrische tenor. Hoe dat ook zij, Karl Ridderbusch is onvergetelijk, zonder afbreuk te doen aan de Jezus partij van Andreas Wolf in de versie van Reinbert de Leeuw. Die laatste versie was ook kleinschaliger, intiemer, iets mathematischer. Ooit hoorde ik een versie van een Japanner die zijn gehele leven aan het project heeft gewijd. De kracht van Aziaten schijnt in de perfectie te liggen, het oorspronkelijke vinden zij in het westen.

Na opnieuw het verklankte lijdensverhaal beluisterd te hebben voelde ik mij weer gesterkt in de strijd tegen het geestelijk verval dat ik door het nieuws dagelijks tot mij moet nemen.



DE KOPEREN TUIN van Simon Vestdijk

Literatuur Posted on Sat, March 02, 2019 17:56:04

In mijn jeugd heb ik verschillende boeken van Simon />Vestdijk gelezen, waarvan ik mij herinner: ‘De kelner en de levenden’, Ivoren />wachters’ en ‘De koperen tuin’. Zijn oeuvre is ontzagwekkend, ongeveer 200 boeken, />de waardering voor zijn werk wisselend. Over zijn boek ‘De schandalen’ schreef />Jan Spierdijk in De Telegraaf: ‘Het witte papier is de heer Vestdijk tot />schutting geworden’. De dichter Adriaan Roland Holst beschreef hem als ‘de man />die sneller schrijft dan God kan lezen’. Bij mij was er het beeld van iemand die />veel woorden nodig heeft om iets te zeggen. Hier wil ik stilstaan bij zijn boek />‘De koperen tuin’, door Simon Vestdijk zelf gekenmerkt als zijn beste werk.

Het boek begint met de ik figuur, een eigenwijs jongetje />dat zijn drie jaar oudere broer nogal belachelijk vindt. Alles speelt zich af begin twintigste eeuw in W, waarmee Leeuwarden bedoeld zal zijn, waar zijn vader tot rechter is benoemd, waar de ik figuur prat op gaat. Vrijgezelle notabelen van de stad zijn min of meer heimelijk verliefd op zijn moeder. Hijzelf lijkt op haar, zijn broer op zijn vader dertien jaar ouder dan zijn moeder, van wie hij zich geen verliefdheid kan voorstellen. Op een mooie zomerse dag, zijn vader stuurt ansichtkaarten uit Luxemburg, wat die daar doet blijft duister, wordt hij door zijn moeder met haar vriendinnen in een landauer meegenomen naar de Tuin, een park met kunstmatige heuvels, water- en rotspartijen. In de Tuin waarin vogelkooien wordt hij door zijn moeder alleen gelaten om te spelen. Zijn zoektocht leidt naar een heuvel. In de diepte ontwaart hij een houten muziekkapel waar een koperorkest gereed zit om te spelen voor het publiek aan de andere kant van de vijver waaronder zijn moeder met haar vriendinnen. Voor het houten hoofdgebouw dat via een rustieke brug over waterpartijen naar de muziektent leidt ziet hij een stoergebouwde zelfverzekerde man met een zwarte snor in een geklede jas, zich vermakend met door volle dienstbladen weerloze dienstertjes, die hij kneepjes in de arm geeft, wat op het jongetje indruk maakt. Hij wil naar hem toe. Hij laat zich van de heuvel zakken, sluipt naar het hoofdgebouw. Met de Stars and Stripes van Sousa barst de muziek los onder leiding van de stoere man, de dirigent. Het geschetter van trompetten, trombones, fluiten, piccolo’s, klarinetten, saxofoons, begeleid door xylofoon en Turkse trom, overweldigt het jongetje. Voor het hoofdgebouw ziet hij een lang bleek meisje, gespannen starende naar de muziektent. Er volgen meerdere stukken, als laatste stuk voor de pauze wordt op verzoek de Stars and Stripes van Sousa herhaald. De herkenning van de muziek brengt het jochie in vervoering, hij stampt en danst op de maat wat hilariteit wekt, wat hem nog meer aanzet. Dan wordt hij gegrepen door het lange bleke meisje, een hoofd groter dan hij en ze beginnen te dansen. Plots laat zij hem los, hem aan zijn lot overlatend. Zij ijlt naar de muziektent, valt de dirigent om de hals, zij is zijn dochter. Voor de ik figuur, Nol Rieske, het zoontje van de rechter die later medicijnen gaat studeren, wordt of blijft het vier jaar oudere bleke meisje, Trix Cuperus, zijn grote liefde, ook al wil zij niets van hem weten en geeft zij zich af met vrijgezelle en getrouwde notabelen in het stadje. Als op het einde van het boek zijn moeder, nog jong, op sterven ligt wil hij weg van haar sterfbed, naar Trix, die dienster is geworden in de sociëteit in de Tuin. Opeens haat hij zijn moeder die in de Tuin gekscheerde over die kleine jongen van acht jaar, dansend met een meisje van twaalf jaar bijna volwassen, het dan later had over ‘dat aardige Trixje van je’. Met knikkende knieën begeeft hij zich naar de sociëteit, waar hij bediend door Trix zich wil bedrinken. Zij schenkt hem wat in, maar verdwijnt. Buiten in de tuin vindt hij haar terug. Wat volgt is een ontroerend samenzijn, waarin hij haar herinnert aan hun dans vroeger in de Tuin waarover zijn moeder zo had moeten lachen en Trix hem om vergeving vraagt voor haar harteloosheid, maar zonder reden weer verdwijnt. Hij bedrinkt zich verder en de volgende dag nog in een roes verneemt hij in het ziekenhuis het overlijden van zijn moeder. De volgende dagen blijft hij zich bedrinken, bezoekt de minnaa van Trix, Vellinga, om diens verhaal te horen, ook om verhaal te halen voor diens aandeel in de zondeval van Trix. Hij onttrekt zich aan het rouwbeklag met de familie, gaat naar Trix en vraagt haar ten huwelijk. Zij vertelt hem over haar drankzuchtige vader, Henri Cuperus, de dirigent en pianoleraar van Nol Rieske, door deze mateloos bewonderd, die schuldig zou zijn aan het verliezen van haar onschuld, over Vellinga die zich aan haar had vergrepen, ook over andere minnaars, Caspers, Dijkhuizen en Stienstra. Ze vraagt hem die nacht bij haar te blijven wat hij fatsoenshalve weigert, vertrekt om de volgende ochtend haar antwoord op zijn aanzoek te horen. Thuis vertelt hij zijn vader over zijn huwelijksvoornemens, zich verontschuldigend voor zijn afwezigheid en om hem voor te bereiden op het standsverschil met zijn verloofde. Hij fantaseert over controverses welke zijn huwelijk kan oproepen en overweegt even het huwelijk uit te stellen, wat hij overwint. Als hij de volgende ochtend bij Trix aanbelt vertelt haar tante dat Trix zich die nacht met arsenicum het leven heeft benomen. Met de beide komende begrafenissen van zijn moeder en Trix in zicht klampt hij zich vast aan de tante, bezoekt Caspers, die hem meer bijzonderheden vertelt over Trix, over diens vermoeden van haar liefde voor een onbekende waarvan hij nu begrijpt dat die hem bezoekt. Nol Rieske fantaseert over de rekening en verantwoording af te leggen door Stienstra en Dijkhuizen, wat hij laat voor wat het is. Lopende naar de Tuin vormen zich gedachten over het hoe en waarom, waar het allemaal begon.

In het boek zitten meerdere tegenstrijdigheden, waarvan ik er twee wil noemen. Hierboven is vermeld, zoals ik dat uit het boek opmaak: ‘Opeens haat hij zijn moeder die in de Tuin gekscheerde over die kleine jongen van acht jaar, dansend met een meisje van twaalf jaar bijna volwassen, het dan later had over ‘dat aardige Trixje van je’.’ Dit moet wel haast het thema zijn van het boek, een moeder die haar zoon niet wil of kan begrijpen. Echter op blz. 227 van de mij ter beschikking staande uitgave, 21e druk Salamander Klassiek, 2001, zegt de hoofdpersoon Nol Rieske tegen zijn geliefde Trix Cuperus: ‘Mijn moeder heeft eens gezegd, dat liefde, die in de kindertijd begint, en dan later tijdelijk vergeten wordt, de machtigste is van alle liefdes.’’ Deze wijsheid verdraagt zich moeilijk met de kortzichtigheid die hij zijn moeder later verwijt. Ook de latere haat van Trix Cuperus tegen haar vader komt min of meer uit de lucht vallen gelet op het begin van het boek, waarin zij na haar dans met het jongetje Nol Rieske haar vader in de Tuin, na diens optreden als dirigent, om de hals valt wat toch uit bewondering, verering moet zijn. Later in het boek blijkt zij zich steeds tegen haar vader te keren, misschien om zijn drankzucht, maar die bestond al toen zij hem in de Tuin om de hals viel. Ook overtuigt de houding van Henri Cuperus tegenover Trix niet. Die zou zijn dochter verboden hebben met Nol Rieske in zee te gaan omdat hij te jong was en zijn familie daarvoor te trots zou zijn. Hier laat Henri Cuperus zich kennen als een benepen man, wat strijdt met de wijze waarop Vestdijk hem neerzet, een hoogdravend iemand die op de jonge Nol Rieske overkomt als de kunstenaar die conventies aan zijn laars lapt. Als zich in de geest van de grote man, die Henri Cuperus voor Nol Rieske was, een dergelijke ommekeer zou hebben voltrokken biedt het boek, behalve het latere misprijzen van Trix, daarvoor niet echt een aanwijzing, ook niet de door Nol Rieske’s moeder versmade bloemen, haar aangeboden door Trix’ vader. Zo doet de intrige rond de zondeval van Trix Cuperus hier en daar gekunsteld aan, wat goedgemaakt moet worden met ingewikkelde zinnen, waarover nagedacht moet worden om te begrijpen wat er staat, wat dan toch niet echt tot diepere inzichten leidt. Hier en daar krijgt het boek, vooral in het middengedeelte waar de voorbereiding en opvoering van de opera Carmen hilarisch, rocambolesk wordt besproken, met de overjarige Belgische zangeres Alice de Rato die de rol van Carmen voor haar rekening neemt, als zinnebeeld van lichtzinnigheid en verderf, het karakter van een ironische vertelling à la Godfried Bomans, wat niet strookt met de pretentie van het werk, te weten de worsteling met conventies die begin twintigste eeuw bestonden, zoals dat bijvoorbeeld het thema vormde van het boek Klaaglied om Agnes van Marnix Gijssen.

Blijkens het naschrift van Maarten ’t Hart in de mij ter beschikking staande editie wil deze in het boek meer zien dan Simon Vestdijk er zelf in heeft willen leggen. De onbegrijpelijke zelfmoord van Trix zou verklaard kunnen worden door de veronderstelling dat haar vader zich aan haar heeft vergrepen. Ondanks de schroom voor een dergelijke veronderstelling wordt daarom voor ’t Hart het boek nog indrukwekkender. Ik begrijp de gedachtegang aldus dat de grootheid van het werk niet zozeer bepaald wordt door wat er staat, maar wat men zich erbij kan fantaseren. Daar zit wat in. Een boek moet inwerken op de verbeeldingskracht van de lezer. Echter na het lezen van het boek kan ik mij de door ’t Hart geopperde veronderstelling niet voorstellen. In het boek laat Trix Cuperus zich zien als een meisje dat van wanten weet. Ook uit de biecht van Trix aan Nol Rieske blijkt iets dergelijks niet, wat toch wel voor de hand zou hebben gelegen. Anders dan de door ‘t Hart genoemde Johan van der Woude kan ik mij de zelfmoord van Trix Cuperus wel voorstellen.Zij was vier jaar ouder dan Nol Rieske. Zij begreep zijn liefde voor haar, maar ook dat hun huwelijk onmogelijk was, dat het hem met haar achtergrond te gronde zou richten. Zij was realistischer dan hij, wilde geen gebruik maken van de situatie, uit liefde voor hem.

Al mis ik het evenwicht zoals in boeken van door mij bewonderde schrijvers als Tolstoj, Schnitzler en Walschap, de koperen tuin van Simon Vestdijk blijft een zeer lezenswaardig boek, vooral door de gedetailleerde beschrijvingen van situaties en personen, ook al doen deze wel erg barok aan.



Reisverhaal

Literatuur Posted on Mon, October 29, 2018 16:48:15

ADIOS SEVILLA

Na een ommekomst van vierenvijftig jaar was het weerzien met Sevilla zoiets als met een schilderij. Als je de werkelijkheid ziet wat de schilder heeft bezield valt het tegen. Voor mij was Sevilla de stad van de flamenco. Die wordt daar nog steeds opgevoerd, gespeeld, gezongen en gedanst. In kleine theatertjes door zangers, danseressen onder begeleiding van een gitarist, om hartstochtelijk de folklore levend te houden. De flamenco stamt uit de tijd van de armoede zonder uitzicht op een loket. Die armoede las je af aan het broodmagere lijf. De flamenco was een uitvlucht uit het troosteloze bestaan. Meer dan een uitvlucht, de geest verhief zich. Het was ook de strijd van de vrouw, haar trots ondanks het bedrog, de ontrouw en het verval als het haar ten deel viel. Met haar dans, haar blik, haar houding, het ritmisch klappen (palmotear), het geroffel van de castagnetten, het voetenwerk (tacaneo) deed zij aanbidders doen knielen. In de jaren vijftig zestig werd de flamencozang gehoord op iedere hoek van de straat, met die arabische keelklank gezongen door schoenpoetsertjes.

Dat zijn mijn herinneringen. Wij lieten ons brengen naar dat prachtige hotel Madrid om in een steegje er vlak achter ons verblijf te zoeken bij een herbergier die in zijn eentje herberg, restaurant en café dreef. Zijn kookgerij stond in de gelagkamer achter het buffet waar hij borrelhapjes tapas bereidde tot twaalf uur ’s nachts of later, als het niet de gerechten voor ontbijt, middagmaal en avondeten waren. Slechts voor middagmaalmaal en avondeten was een kelner ingehuurd om op te dienen. De laatste avond, de trein naar Granada vertrok de volgende ochtend om zes uur, wilden wij om vijf uur gewekt worden. Geen probleem, ook schoenen konden gepoetst worden als we die op de gang wilden zetten. Wie wekte ons, wie had de schoenen gepoetst? Jawel, de rondborstige zwaar besnorde eigenaar met slaap in zijn ogen, die zijn herberg dreef als zijn kostbaarste bezit.

Dat wilde ik terug zien. Mijn zoektocht begon bij hotel Madrid dat mij vandaar verder zou helpen à la recherche du temps perdu. Er was inderdaad een hotel Madrid, in een onooglijk steegje dat alle verwachting deed verdampen. Het echte Hotel Madrid, dat legendarische hotel van vroeger waarover zoals later bleek in de annalen met weemoed werd geschreven, was met de grond gelijk gemaakt om plaats gemaakt te hebben voor een winkelcentrum als op de Lijnbaan in Rotterdam. Onze herberg was natuurlijk ook onder de sloophamer gekomen.

Toch daar terug in Sevilla had ik nog een broodmagere zigeunervrouw gezien, in een veelkleurige jurk tot op de voeten met een kind onder de arm, in het voorbijgaan deksels van vuilnisemmers oplichtend. Ze zijn er nog steeds. Er blijven daklozen die niet in het gareel willen lopen. Ze kiezen voor hun vrijheid, al is dat voor de burgerman zo onbegrijpelijk.

Ik denk dan ook aan dat legendarische hotel Amicitia in Leeuwarden, waar de schrijver Havank zo graag verbleef, onder de sloophamer gekomen om te verrijzen als een betonnen puist om daarin geldzaken welig te laten tieren. Men schijnt spijt gekregen te hebben, daar in Leeuwarden, wil het oude hotel Amicitia doen herrijzen, als het misschien al niet gebeurd is.

Terugdenken aan Sevilla, nu een stad van luchtvaart-industrie en toerisme, misschien zal daar ook zoiets gebeuren, zal er iets van de oude glorie herrijzen. Al zal ik dat niet meer meemaken.



Pulp

Literatuur Posted on Sat, July 28, 2018 16:15:42

Het einde van de roman

Op internet konden wij vernemen dat de kwaliteitskrant NRC bij monde van haar recensente Elsbeth Etty bericht had over een boek van Hans Dorresteijn dat ging over zijn echtscheiding. Hans Dorresteijn was er kapot van, want ‘die vrouw met het rode haar’ had bericht over ‘het einde van de roman’. Na deze negatieve berichtgeving zou Dorresteijn dagenlang het huis niet meer uit gedurfd hebben.

Het bevestigt de juistheid van mijn beslissing, al weer lang geleden, het abonnement op die krant op te hebben moeten zeggen. Want tot vervelens toe moest ik immer weer stuiten op boekrecensies die verkeerde verwachtingen wekten. De valse en doorzichtige smoesjes waarom mijn eigen boeken niet voor recensie in aanmerking kwamen doorzag ik pas later. Ik kon mij niet voorstellen dat het er niet eerlijk aan toe ging. Eerlijk, dat wil zeggen een boek de aandacht te geven die het verdient. Eerlijk, om niet te verzwijgen dat er andere belangen spelen, die een ieder wel kan raden maar waar de lezer van een kwaliteitskrant niet mee gediend is en de krant in feite een speeltje wordt van handige jongens die weten hoe pulp verkocht wordt. En die arme boekrecensent van de krant heeft zich maar te voegen. Tot mij de schellen van de ogen vielen dus.

Net als andere op het eerste gezicht notabele beroepen die een bedenkelijke kant kunnen laten zien doet de journalistiek hier dus niet voor onder. Onbeduidende zaken worden uitvergroot. Belangwekkende zaken worden verzwegen. De doofpot politiek beperkt zich niet tot de bedrijfstak die het wil bestrijden.

Dit is het einde van de roman. Welk belang is met het uitvergroten van een slecht boek gediend? Komt het maar zelden voor dat er een slecht boek geschreven wordt? Het is als met die plasseks van die gewezen zangeres. Binnenshuis verkneukelt Hans Dorresteijn zich er over niet aan de aandacht van die kwaliteitskrant te zijn ontsnapt.



« PreviousNext »