Blog Image

Celeste Lupus

Over dit weblog

Celeste Lupus schrijft over: literatuur, politiek, filosofie, recht, economie en wetenschap.

Boekbespreking

Literatuur Posted on Thu, July 05, 2018 12:47:23

IN DE BAN VAN DE TEGENSTANDER

door Hans Keilson

In de ban van de tegenstander door Hans Keilson is een boek dat in Nederland ongeveer tien jaar geleden veel ophef veroorzaakte. Niet zozeer vanwege de inhoud, wel omdat het over het hoofd was gezien. Het mediacircus stortte zich erop met citaten uit The New York Times Book review en Time waarin men Keilson wilde toevoegen aan de lijst van ’s werelds allerbeste schrijvers. Keilson was toen inmiddels al honderd jaar oud.

Het boek begint op een enigszins vergelijkbare manier als de Max Havelaaar van Multatuli. Waar Sjaalmans om nog aan wat centen te komen zijn manuscript aan de makelaar in koffie Batavus Droogstoppel probeert te slijten, die het ziet als louter vodden papier, zo begint het boek van Keilson met een pak papier met aantekeningen in het Duits, vol vlekken, gekreukeld, uitgelopen inkt alsof het onder water heeft gelegen, in het bezit van een Nederlandse advocaat, die het na de oorlog ter hand stelt aan een onbekende ik figuur om het maar eens te lezen. Het moeten aantekeningen zijn van een jonge joodse Duitser die probeert te begrijpen waarom zijn vijand (Hitler dus), die hij B. noemt, het op hem voorzien heeft. Daar moet een reden voor zijn. Hij wil niet aannemen dat zijn vijand iets zomaar doet en van ieder rede verstoken is. Hij komt daarmee in aanvaring met zijn soortgenoten die een gesloten front willen vormen tegen hun vijand.

Men kan het aantekeningen van een naïeveling beschouwen. Mijn indruk is echter anders. De verteller beschrijft zijn vader als een koorddanser met vele ambachten en ongelukken. Eerst werkzaam in een horlogezaak, dan dansleraar, dan weer als chef de réception in een hotel waar hij het slachtoffer van een wisseltruc zou zijn geweest, vervolgens eigenaar van een stoffen- en modezaak. Uiteindelijk toch geslaagd in het leven als fotograaf die met retouches en trucjes zijn clientèle tevreden hield. Diens jongste broer was het verkeerde pad op gegaan. Zelf lichtte de verteller als jongen zijn vriendje op door met een drukletterdoos postzegels te vervalsen. Als het uit komt slaakt de vader de verzuchting ‘als het maar niet in de genen zit’.

Het boek beslaat vooral de herinneringen van de verteller uit zijn vroegste jeugd, hij moet enig kind geweest zijn, waarin hij het bestaan van zijn vijand verneemt uit de gesprekken tussen zijn ouders als hij ongewild teveel hoort. Zijn vader is zwartgallig en krijgt het verwijt van zijn moeder dat hij geen geloof heeft, vermaant hem omdat het kind er bij is. De moeder gelooft dat alles in het reine komt maar de vader wordt boos om haar vrouwengeloof. De mensen moeten er zelf voor zorgen dat ze niet overreden worden. De moeder wordt pas echt bang en boos als ze denkt dat de vader spot met die man daar boven.

Als jodenjongen wordt de verteller gepest en gemeden, meent daardoor juist meer van zijn vijand te weten te komen. Maar zelfs zijn beste vriend blijkt in de ban te zijn geraakt van de vijand. Die vertelt hem het verhaal van de elanden die uitsterven als ze hun vijand, de wolven niet meer hebben. In een kleine provinciestad in een hotel krijgt de verteller de gelegenheid een redevoering van zijn vijand bij te wonen die zal spreken in de hotelzaal. De verteller trekt zich echter terug in de gelagkamer waar hij alsnog via een luidspreker de stem van de vijand hoort. Hij beschrijft dat als volgt:

Hij viel aan, beschuldigde, bespotte, vernederde, sloeg naar links en naar rechts, blindelings, weerlegde beweringen die niemand had geuit en wond zich daarbij vreselijk op. De ander had niemand meer die voor hem sprak. Hij, die niet bestond, werd doodgedrukt door de stem en aangezien hij zweeg, meende iedereen dat hij ook werkelijk dood was.’

De verteller zinkt de moed in de schoenen maar blijft zich verbazen over het spektakel.

‘Iets in deze stem stond los van de man persoonlijk. Achter dit geschreeuw uit koele hartstocht, achter deze grofheden die een geraffineerde, meedogenloze instelling verrieden – daarachter klonk nog iets ander door! Een groot machtig succes of een vervaarlijke ondergang?….Een kleine onaanzienlijke man, gegrepen door iets wat sterker was dan hijzelf, praatte alsof hij bezig was zichzelf te wurgen. Het was alsof hij tegen de verdoemenis stond. Een fakkel flakkerde op een kruispunt. Hij moest kiezen. Het noodlot meldde zich. En wie daarmee in aanraking kwam werd getekend. Maar hijzelf bleef klein, eerzuchtig, een klerk die dolgraag een baas zou zijn geweest. Van tijd tot tijd, als het vreemde, grotere in hem doorbrak en hem geheel in zijn macht kreeg, werd hij radeloos en stond hij voor iets dat hij niet kon vatten. Het omvatte hem, maar hij omvatte het niet. Wie was hij nu eigenlijk? Zonder ophouden stelde hij zich deze vraag. Hij wist het niet. Op deze momenten werd hij voor zichzelf een vreemde. Wat over hem kwam was het vreemde. Vaak dacht hij ook dat hij het zelf was die over zich kwam. Op zulke ogenblikken waande hij zichzelf even groot en machtig als een rivier. Dan begon hij te schreeuwen en te razen. Hij kon zichzelf niet in bedwang houden en trad buiten zijn oevers. Maar hij begreep het niet. Hij schreeuwde als een drenkeling die gered wil worden.

Deze passage vind ik het beste uit het boek. Het beschrijft de onmacht van een waanzinnige. Daarom is een belangrijker vraag dan wie de vijand eigenlijk wel was waarom zoveel verstandige mensen achter hem aan liepen. Daar geeft de verteller geen antwoord op, gebiologeerd door de persoon die hem in zijn greep had. Wie daar wel een antwoord op geeft is Sebastian Haffner in zijn boek Kanttekeningen bij Hitler. Dat deze waanzinnige aan de macht kwam berustte voor een groot deel op toeval, zoals Haffner haarscherp analyseert.

Maar ook na deze ervaring blijft de verteller sceptisch zich aan te sluiten bij zijn lotgenoten die een gesloten front willen vormen tegen de vijand, wordt er van beticht geen verzet te willen plegen. Kortom de verteller wil zich niet losmaken van de Duitse gemeenschap die achter de vijand aanloopt.

Als de verteller in een warenhuis werkt komt hij in aanraking met een jonge verkoopster in wie hij wel iets ziet. Bij haar thuis ontmoet hij haar broer en drie anderen die langzaam maar zeker in geuren en kleuren vertellen hoe ze een joodse begraafplaats hebben vernield. Dan komt de verteller tot inkeer, waarschijnlijk mede door het meisje dat geen teken van afkeuring heeft gegeven. Hij vlucht, laat zijn ouders achter in zijn geboortehuis waaruit ze uiteindelijk worden opgehaald. Voor de verteller heeft de vijand afgedaan. Zijn eerste verzetsdaad is het maken van een getrukeerde foto van in elkaar geslagen mensen, in scène gezet, dat als krantenfoto de mensen aan het denken moet zetten.

Tot dusverre in grote lijnen het boek. Er blijven een aantal vragen. Wilde de schrijver met de aanvang en het einde van het boek, wanneer de onbekende ik figuur na de voddige papieren te hebben gelezen, deze terug geeft aan de advocaat en die hem vertelt dat de eigenaar als verzetsheld is verraden vanwege een liefdesgeschiedenis maar zijn moordenaar heeft kunnen doodschieten, verhullen dat het om de persoonlijke ervaringen van de jonge Keilson zelf gaat?

Uit een authentiek autobiografisch boek van Keilson, onvertaald, weten we dat Keilson in Berlijn de leergang heilgymnastiek- en massage had doorlopen. Op de achterflap van het hierboven besproken boek staat dat Keilson in Berlijn medicijnen had gestudeerd. In het televisie-interview tien jaar geleden schermde Keilson zichtbaar met zijn hoedanigheid als arts. Begin jaren vijftig vestigde Keilson zich als psychiater te Bussum. Ondanks torenhoge rekeningen wierpen zijn behandelingen weinig of geen resultaat af. Kinderen waren als de dood voor hem. De nestor van de psychiatrie Sigmund Freud behandelde in een klassieke casus prinses Marie van Oostenrijk voor vaginisme. Keilson had een patiënt wiens vrouw aan hetzelfde leed. De trauma’s van de man, zijn patiënt, waren voor ingewijden overduidelijk het gevolg van het probleem van de vrouw. Keilson echter hield eindeloze sessies, schreef de ene rekening na de ander waarvoor sommigen een hypotheek zouden hebben moeten afsluiten. Wist Keilson niet beter of was het berekening? We weten het niet, maar nimmer heeft hij de vrouw onderzocht, terwijl de aartsvader van de psychiatrie dat als eerste zou hebben gedaan.

Zo lijkt Keilson als psychiater ondeskundig. Misschien was hij het ook niet, slechts gymnastiekleraar met een opleiding in de heilgymnastiek- en massage, na de oorlog de erkenning als arts gekregen op basis van duistere papieren. We weten het niet. Voor The New York Times Book review en Time was hij geslaagd als schrijver. Dat mag zo zijn, bij mij blijft de indruk van een behendig manipuleerder die Wahrheit und Dichtung niet uit de weg ging.



JOODSE GRAPPERIJ

Literatuur Posted on Wed, May 23, 2018 16:08:50

LIEDJE

Zag zo’n grappig liedje op teevee. Kwam me bekend voor. Gelukkig kon ik nu wat verstaan. Zoiets als ‘Israel wint! Nee geen geintje. Boem boem boem op Palestijntje. Joechei, joechei! Tranen schieten vol. De wereld gunt ons lol!’

Toch leuk liedje. Die Israëlische ambassadeur was not amused, heeft dus geen gevoel voor humor. Begrijp ik niet. Vroeger was het leuker. Met die joodse grapperij is het niet meer wat het geweest is. Max Tailleur zou er wel raad mee geweten hebben. ‘Bij oompje Adolf zaten we er warmpjes bij. Enkele reis was gratis!’ Ik bedenk er ook één. ‘In een joodse winkel hoef je geen geld te geven. Ze trekken het uit je vingers.’ Nee, het is tobben in de wereld. Van alles maken ze een punt. Hamas heeft dat beter begrepen. Vanuit de achterhoede worden ze naar het prikkeldraad gedreven. Geleerd van Frederik de Grote, die zijn soldaten het slagveld in joeg met de leus ‘Hunde wollt ihr ewig leben!!’



Onkwetsbaar

Literatuur Posted on Sun, April 15, 2018 17:53:51

François Hollande

Onlangs was er een interview met de gewezen Franse president Hollande op het journaal van de Franse televisiezender France 2 met de nieuwe omroepster Anne Sophie Lapix. De keuze voor haar na de afgedankte maar zeer professionele David Pujadas had verbazing gewekt, tenminste bij ons. David Pujadas had zeker meer dan veertien jaar de boventoon gevoerd in de rij van televisiepersoonlijkheden die ministers en presidenten het vuur aan de schenen kon leggen. Iets dergelijks was eerder op het eerste Franse kanaal TF1 gebeurd toen de zeer ervaren Patrick Poivre d’Arvor werd vervangen door Laurence Ferrari, een modieuze vrouw waar de glossy bladen zich op storten, vooral vanwege haar veel jongere partner, een violist. Laurence Ferrari werd al snel afgedankt, niet in het minst door haar onhandige gevraag aan de president Nicolas Sarkozy over zijn wel en wee met Carla Bruni in plaats van over zijn inspanningen in de wereld een oorlog te voorkomen. Wij wachten af wat Anne Sophie Lapix zal overkomen, maar sluiten niet uit dat het een herhaling van zetten wordt gelet op haar voordracht die aan Laurence Ferrari doet denken. Met de uit het hoofd geleerde lesjes en de vragenplankjes waarvan ze zich bedient bij de ondervraging van gewichtige personen rijst de twijfel of zij dat wel aan kan.

Maar in het interview met François Hollande stonden twee brekebenen tegenover elkaar en dat leverde een vermakelijk schouwspel op. Anne Sophie Lapix vroeg aan François Hollande of hij zijn belofte de werkloosheid op te lossen was nagekomen. Zonder blikken of blozen beaamde hij dat. Het leek intrappen voor open doel. Met een vriendelijk doch ook vilein glimlachje zei ze : “Ik heb andere cijfers. Kijkt u eens naar die grafiek op het scherm.” De grafiek liet een toename zien van 26 % meer werkloosheid gedurende de 5-jarige ambtstermijn van François Hollande. Met de van hem bekende onnozele blik keek die in het rond en zei: “Dat klopt niet want ik heb 700.000 nieuwe banen geschapen.” Anne Sophie Lapix slaagde erin niet te hinniken van de lach. Maar François Hollande gaf haar geen gelegenheid en begon een monoloog over iets wat hij alleen zelf kan navertellen.

François Hollande doet mij denken aan een duikelaartje, zo’n kogelrond mannetje van rubber waar wij als kind vroeger mee speelden. Je gaf het een duw, nog een duw en weer een duw, je zwaaide hem alle kanten op. Steeds kwam het overeind, figuurlijk op zijn pootjes want die had hij niet, dank zij het lage zwaartepunt. Hollande heeft die wel en gebruikt ze ook in een potje voetbal, waar hij een liefhebber van is. Ik heb daar beelden van gezien en zoals hij voetbalt zal hij de ministerraad hebben voorgezeten. Onwelgevalligheden moeten langs hem heen gegaan zijn als de wind die door het net blaast. Aan het einde van zijn ambtsperiode beweerde hij alle doelen gehaald te hebben zonder het de statistieken te laten bevestigen, hield een lang betoog waarin veel aan bod kwam doch niets in het bijzonder en zei tussen neus en lippen dat hij het voor gezien hield. Het was leuk geweest, maar alles had zijn eind.

François Hollande wandelt door het leven als het jongetje in het muziekstuk Peter en de Wolf van Sergei Prokofiev. Hij was zomaar president. Op de tribune in het stadion Saint Denis tijdens de voetbalwedstrijd Frankrijk Engeland, er buiten een aanslag plaats vond en ontploffing te horen was, knipperde de president verbaasd met zijn ogen. Het knapste jongetje van de klas, zijn eigen minister president Laurent Fabius, wist: “François Hollande is de meest onderschatte politicus ooit.”

Charles de Gaulle, die vanachter de schrijftafel de oorlog won, in 1958 door een staatsgreep aan de macht kwam, overleefde een referendum niet en was een jaar later dood. François Hollande doet beter. Bij zijn aantreden als president stond een overjarige courtisane aan zijn zijde. Ze verkeek zich op hem die ze aan de haak geslagen had, kon alleen nog maar de vuile was buiten hangen. Haar kwelgeest is gelukkig met Julie Gayet, een comédienne, die hem zo nu en dan over zijn bolletje aait met de vraag: “Wat heb je nu toch allemaal weer beleefd?”



Circus

Literatuur Posted on Sat, April 07, 2018 16:04:21

HET MOOISTE DOELPUNT OOIT

Zinadine Zidane wist het zeker. De omhaal van Ronaldo in de wedstrijd van Real Madrid tegen Juventus afgelopen dinsdag 3 april 2018 was het mooiste doelpunt ooit gemaakt. Juventus was het daar meesmuilend mee eens. Zelf hadden ze twee keer in eigen doel geschoten en de Nederlandse scheidsrechter Makkelie had hen een strafschop onthouden. Ik heb de wedstrijd niet gezien, alleen op internet een stilstaand beeld van de omhaal. Meer was mij niet vergund omdat ik weiger mee te doen met het gesar van adverteerders die mij beelden onthouden als ik niet op hun avances inga. Ik was alleen minder benieuwd naar de kogelbaan van de bal, die toch gelukkigerwijze door een gaaf net werd gestuit. Want als er een gat in had gezeten waren de rapen gaar geweest. Neen, ik probeerde mij voor te stellen hoe Ronaldo zelf was terechtgekomen na zo’n salto mortale. Op zijn rug, op zijn hoofd, had hij zijn nek niet kunnen breken?

Dat komt omdat ik als kleine jongen dacht de wereld te kunnen betoveren met mijn gedribbel. Helaas had ik het euvel mij te moeten bevinden temidden van ploeggenoten die geen lantaarnpaal konden omspelen en vaker in de grond trapten dan tegen de bal. Eigenlijk zelden tegen de bal, als het dan niet was in de grond dan maar tegen het scheenbeen van de tegenstander die niet in de gaten had dat je met motorisch gestoorden moest oppassen. Het gevolg was dus dat mijn prachtige assists als paarlen voor de zwijnen waren. Ik besloot het daarom helemaal zelf te doen en maakte een wonderschoon doelpunt, waarbij, vanaf de ongelukkige uittrap door onze eigen doelverdediger, die behalve ikzelf geen uitzondering op de regel vormde en vaak pas van de grond kwam als de bal al achter hem lag, tot aan het verbouwereerde gelaat van de zich met vakantie wanende doelverdediger aan de andere zijde van het veld, geen medespeler aan te pas had hoeven te komen.

Dat was sommigen niet ontgaan en ik werd als dreumes in het allerhoogste elftal geplaatst en mijn oudere broer die nu een elftal lager speelde uit misnoegen zijn lidmaatschap op zei. Maar ik was in dat hoogste elftal niet klaar voor het grote werk. Want wederom na zo’n wonderschone dribbel en ik een twee hoofden grotere slagersknecht met een varkenssnuit het achterste van mijn smalle beentjes had laten zien haalde deze alsnog uit en zwiepte mij zeker twee meter verderop, als het niet drie was, waar ik nog net niet buiten westen op de grond belandde en benieuwd was hoe de onverlaat in het gareel zou worden gebracht. De scheidsrechter wreef zijn ogen uit na het zien van deze aanslag die na de oorlog niet meer was voorgekomen en hapte naar adem alsof hij hetzelf had ondergaan. Weer bij zinnen gekomen stelde hij vast dat hier zeker een vrije schop voor gegeven kon worden. Dat was gelijk het einde van mijn voetballoopbaan want mijn koele verstand rekende mij voor dat met zulke varkensschoppen meer was te bereiken dan met mijn dribbels en ik miste daarvoor ten enenmale de aanleg.

Misschien begrijpt u nu waarom ik zo bezorgd was naar de toestand van Ronaldo na zijn uitvoering van die vermetele zo niet roekeloze ingeving. Ik kom hier ook op omdat wij in onze jeugd stripboekjes lazen over Kick Wilstra, een blonde Friese jongen die het Nederlandse amateuristische voetbal had verlaten en voor Arsenal de sterren van de hemel speelde en de striptekenaar hem een doelpunt liet maken zoals Ronaldo die in het echt heeft laten zien. U begrijpt dat ik mijn twijfels had over de echtheid van wat die striptekenaar ons meende te kunnen voortoveren, maar hem nu gelijk moet geven met die vooruitziende blik dat er circusartiesten zijn voor wie geen zee te hoog gaat.



Jacques Brel

Literatuur Posted on Mon, January 22, 2018 13:31:51

OPFLIKKERING

In de Aveyron in Frankrijk is het hartje winter, midden januari. Elders is het ook winter, maar we zijn hier niet ver van Aurillac de hoofdstad van het departement de Cantal, het armste deel van Frankrijk. Het is daar steevast het aller-koudst als de teevee de weerkaart van Frankrijk toont. Het is de plaats waar de vondeling Remi zijn rondreis begint met zijn beschermer Vitalis, een zwerver die vroeger de beroemde Italiaanse zanger Carlo Balzani was. Zo vertelt ons het beroemde boek Sans Famille van Hector Malot. Het verhaalt over een wereld die ons vreemd moet zijn met een overheid die je van de wieg tot het graf verzorgt. Remi en Vitalis echter leefden in de negentiende eeuw en probeerden als straatartiesten te overleven.

Daar doet mij deze streek aan denken als het winter is. Je ziet geen mens en het enige wat in je opkomt is te schuilen. Al is het er in de zomer prachtig en zijn er ook wel toeristen, het biedt niet de oplossing voor de weinige werkgelegenheid die er is. Voor de liefhebber van de natuur is dat niet erg. Je moet je hier zelf vermaken en daar komen de meesten niet op af.

En als men hier verkeert hartje winter is het troosteloos, ondanks de herinnering aan de afgelopen zomer, het nog te lang duurt voordat in de lente de damp zal optrekken en de oudjes hun botten kunnen warmen. In de streek hier heeft de rivier de Lot niets lieflijks meer. Met de bruine modderstroom die het meevoert, afgegleden van hellingen waar de rots geen houvast meer biedt, jaagt het angst aan en verwacht je achter ieder gesteente, na iedere kronkeling in de weg geen mensen maar spookgestalten, kobolden, druïden, al naar gelang de mist het verkiest zich in een gedaante te vertonen.

Maar soms gebeurt er een klein wonder. In al deze troosteloosheid en de teevee allang geen uitkomst meer bood was er een klein berichtje over een voorstelling. Het zou gebeuren in de salle de fȇte, een vervallen feestzaaltje in het piepkleine dorpje Grand Vabre waar alle vermakelijkheid was opgeschort tot het verre voorjaar. In weinig feestelijke kledij kwam de schaarse bevolking er op af. Wie er optraden was onbekend. Een programma was niet voorhanden. De verwarming stond nog aan, maakte veel geraas en verspreidde een minder aangename lucht. Dat kon ook komen door de wasem uit de jassen van de bezoekers vermengd met de geur van de bezitter.

Het podium bood weinig opwekkends. De verhoging zou het wel houden, maar dat was het wel zo’n beetje. Wat er ging gebeuren bleef gissen. Zo nu en dan sloop door een triplex deur een schrale man met grijs piekhaar het podium op, pakte een gitaar, snoof er aan alsof het een onderhoudsbeurt nodig had, legde het weer neer alsof er niets mee te beginnen was.

Hij keurde de zaal met zo’n zestig mannen en vrouwen, zich gedragende als op een huishoudbeurs, geen blik waardig. Hoe lang het nog zou duren bleef ongewis, want in Frankrijk is het niet ongebruikelijk dat de voorstelling een uur later begint.

Maar daar kwam dan toch van achter uit de zaal een madame aanlopen die het op haar manier gemaakt leek te hebben. Ze klom wankele treedjes op naar de microfoon. Als présidente van de Association culture et patrimoine, de plaatselijke gezelligheidsvereniging, gebruikte ze weinig woorden om Manu en Sylvain te begroetten. Door het triplex deurtje was nu ook Manu tevoorschijn gekomen, die oogde als conferencier voor de buurtvereniging. De kwartiermaker met het grijze piekhaar moest Sylvain zijn.

Sylvain pakte de guitaar, begon er op te bonken wat weinig goeds voorspelde. Maar dat duurde niet lang. Wat volgde was een ode aan die veel te vroeg gestorven minnezanger. Manu was zichzelf, maar vooral Jacques Brel alsof die was herrezen. Sylvain ontpopte zich als een rasmuzikant, tokkelde swingende akkoorden, bruusk of zoetgevooisd al naar gelang de zang dat van hem vroeg. Met zijn kleine accordeon vertolkte hij de melodielijn in het lied Port d’Amsterdam, een meeslepende wals over de zelfkant in de haven, waar het leven weinig meer te bieden heeft dan het zinnelijke genot. Zijn mondharmonica bezong de weemoed van de eenzame mens.

De hier en daar wat rauwe stem van Manu leende zich voor de kreet van de mens die weinig goed kan doen, de verschoppeling die zich mooi voor wil doen. Manu zong met de hartstocht alsof hij ze allemaal beweende.

Maar hij begon met het lied van de stervende, le moribond:

Adieu Emile, curé, Antoine, ma femme. C’est dur de mourir au printemps tu sais. Je veux qu’on rit, qu’on danse, s’amuse comme des fous. Quand c’est qu’on me mettra dans le trou?

Vaarwel Emile, pastoor, Antoine, mijn vrouw. Te vergaan in de lente, dat is hard weet je. Jullie moeten lachen, dansen, als gekken te keer gaan. Wanneer ga ik in de kuil?

En daarna het lied les bourgeois:

Le coeur bien au chaud, les yeux dans la bière, chez la grosse Adrienne Montalant, avec l’ami Jo-jo, et avec l’ami Pierre, Jo-jo se prenait pour Voltaire, Pierre pour Casanova, moi je me prenais pour moi, et quand vers minuit passaient les notaires qui sortaient de l’Hotȇl ‘Des Trois Faisans’, on leur montrait notr’cul et nonbonn’s manières en leur chantant: les bourgeois c’est comme des cochons, plus ça devient vieux plus ça devient bȇte.

 

Helemaal in de stemming achter het bier, bij dikke Adrienne Montalant, met makkertjes Jo en Pierre, al twintig jaar lang, Jo was niet minder dan Voltaire en Pierre als Casanova, ik hield me groot, om middernacht kwamen de notarissen uit De Drie Fazanten, wij lieten ze ons poepertje ruiken en zongen: brave burgers zijn varkens hoe ouder hoe viezer.

Daarna les vieux:

Les vieux ne parlent plus, ne rȇvent plus, ne meurent pas, ils s’endorment un jour, ils se tiennent la main, ils ont peur de se perdre, et se perdre pourtant, celui des deux qui reste se retrouver en enfer, vous les verrez peut-ȇtre, vous les verrez parfois en pluie et en chagrin, en s’excusant déjà de n’ȇtre pas plus loin et fuir devant vous une dernière fois, la pendule d’argent qui ronronne au salon, qui dit oui qui dit non qui leur dit: J’attends.

 

De oudjes praatten, dromen, sterven niet meer, ze slapen in op een dag, bang elkaar te verliezen en dat gebeurt toch, hij of zij die er nog is komt in de hel, je hebt ze gezien misschien, soms in traan en met verdriet, met de schuld er nog te zijn, ze schuwen de zilveren pendule, die tikt in de salon en zegt ja, die tikt en zegt neen, die tikt in de salon en hen zegt ‘ik wacht’.

Manu nam een rust om zich ter verontschuldigen voor zoveel verdrietigheid. Sylvain steeg al improviserend boven zichzelf uit, waarna Manu tot zichzelf kwam, de draad weer oppakte. Hij zong het lied le plat pays:

 

Avec la mer du Nord pour dernier terrain vague, et des vagues de dunes pour arrêter les vagues, avec le vent d’ouest écoutez le tenir, le plat pays qui est le mien, avec des cathédrales pour unique montagnes et de noir clochers comme mats de cocagne, avec un ciel si bas qu’un canal s’est perdu, avec un ciel si gris qu’un canal s’est pendu, avec le vent du nord qui vient s’écarteler, avec le vent du nord écoutez le craquer, le plat pays est le mien, avec l’Italie qui descendrait l’Escaut, avec Frida la Blonde qui devient Margot, quand le vent est au rire quand le vent est au blé, quand le vent est sud écoutez le chanter, le plat pays qui est le mien.

 

Met de Noordzee waar helemaal niets is, de golvende duinen om te strijden tegen de golven, met de westenwind hoor hem tekeer gaan, met de kathedralen als bergen en torens om te beklimmen, met hangende luchten zo laag dat het kanaal er in zinkt, met grijze luchten dat een kanaal er in hangt, met de noordenwind die zich in vieren deelt, hoor hem gieren, het vlakke land is van mij, van Italië tot de Schelde, blonde Frida als Margot, als de wind door het koren gaat, de zuidenwind hoor hem zingen, het vlakke land is van mij.

Hier in deze zuidelijke riviervallei met rotsen en hellingen klonk dit lied over het vlakke land als een liefdesode aan een misdeeld kind. Het maakte diepe indruk. Zo ook het lied l’ivrogne :

Ami remplis mon verre, encore un et je vas, encore et je vais, non je ne pleure pas, je chante et je suis gai, mais j’ai mal d’être mois, buvons à ta santé, toi qui sais si bien dire qu’elle va revenir, tant pis si tu es menteur, je serais saoul dans une heure, buvons aux jeunes filles, qu’il me reste à aimer, buvons déjà aux filles que je vais faire pleurer, et tant pis pour les fleurs, qu’elles me refuseront, je serai saoul dans une heure, buvons à la putain, qui m’a tordu le cœur, buvons nuit après nuit, puisque je serai trop laid pour la moindre Sylvie, buvons puisqu’il est l’heure, je serai bien dans une heure, je serais sans espoir, ami rempli mon verre.

 

Vriend vul mijn glas, nog één en ik zal gaan, nog één en ik ga, ik huil niet, ik zing en ben vrolijk, maar ik ben niet helemaal mezelf, laat ons drinken op jouw gezondheid, jij die het allemaal zo goed weet, ze zal terugkomen, als je liegt het zou wat, ik ben bezopen over een uur, we drinken op de meisjes, die er nog zijn waar ik van kan houden, we drinken alvast op de meisjes die me niet zien staan, de bloemen die ze niet willen hebben, het zou wat, ik ben bezopen over een uur, we drinken op het neuken, dat me zo aan het hart gaat, laat ons drinken nachtenlang, ik ben te lelijk zelfs voor Sylvie, laten we drinken tot het tijd is, ik zal niet weten wat te doen, vriend vul mijn glas nog eens.

Plotseling was het afgelopen. De aanwezigen hadden anderhalf uur lang ademloos geluisterd, zonder enige nies of kuch. Manu en Sylvain waren er doorheen. Het was niet anders. We keerden huiswaarts. Het weer was afschuwelijk. Geen mens vertoonde zich op de weg. Maar na de liederen, de chansons van Jacques Brel, voelden we ons hier minder verlaten.



Beroepsethiek

Literatuur Posted on Mon, May 29, 2017 14:52:01

TESTAMENT

Ik toog naar de notaris en zei dat ik mijn testament wilde maken. Hij vroeg: “Wat moet er in?” Ik zei: “Neemt u maar op dat op mijn begrafenis mijn nabestaanden moeten zingen Hij leve hoog! Hij leve hoog! Maar wel op toon en met de juiste dictie.” De notaris schudde verbaasd zijn hoofd: “Waarom is dat in godsnaam?” Ik zei: “Dat is mijn manier om in de hemel te komen.” De notaris na wat nadenken: “Daar zit wat in. Wat gaat u doen daarboven?” Ik zei: “Spelen op de Steinway vleugel, op de fluit, ik heb een Myazawa en een Philip Hammig, oh ja, ook nog een renaissancefluit. De zang doe ik er ook bij. Neemt u dat ook maar op.” De notaris: “Denkt u dat ze daarboven een Steinway vleugel hebben?” Ik zei: “Jazeker, als ik de mijne meeneem wel.” De notaris schudde ongelovig zijn hoofd: “Zo’n ding is toch veel te zwaar daar boven.” Ik zei: “Daar heeft u gelijk in. Maar die beperkingen gelden alleen voor de mensen op aarde. De notaris: “Kan dat allemaal niet geregeld worden zonder mijn tussenkomst? Ik vrees moeilijkheden te krijgen met mijn geloofwaardigheid.” “Met uw geloofwaardigheid?” “Ja, in beginsel behoor ik op te schrijven wat de mensen van mij verlangen. Maar ik ben godvruchtig van aard, wat een rem legt op mijn vermogen mee te werken aan iets waar ik niet in kan geloven.” “Gelooft u niet aan de hemel?” “Jazeker geloof ik aan de hemel. Maar die Steinway vleugel, dat kan niet. Dat zingen misschien wel.” “U beslist dat ik mijn Steinway vleugel niet mee mag nemen naar de hemel? Dat lijkt mij een reden voor een klacht.” De notaris verschrikt: “Dat meent u niet.” “Jazeker meen ik dat. U gelooft niet dat het kan en stelt dat boven uw plicht als notaris.” De notaris zuchtend: “Hoe komen we hier uit!” Ik zei: “Ik heb met u te doen. Laten we het houden op Hij leve hoog! Hij leve hoog! En vertrouwen op de goede afloop.”



Pamfletterie

Literatuur Posted on Sun, April 30, 2017 11:28:52

SPEURTOCHT VOOR SCHRIFTGELEERDEN

Ooit in het jaar 1990 verscheen er een pamflet getiteld De ondergang van Nederland – Land der naïeve dwazen door ene Mohamed Rasoel. Velen hebben zich suf gepiekerd wie daar achter zou zitten. Want de schrijversnaam kon niet echt zijn, moest ontleend zijn aan de islamitische spreuk La illa la il Allah, Mohamed Rasoel Allah, oftewel er is maar één God en Mohamed is zijn profeet. Niet dat Mohamed Rasoel, als men het pamflet leest, veel op heeft met die wijsheid. Het biedt een aaneenschakeling van hoe de nette behoorlijke Nederlander zichzelf voortdurend in de voet schiet, zo dat het lachwekkend, schrijnend wordt. Rasoel bestempelt de Nederlander als dwaas, naïef. En in wezen is dat nog zwak uitgedrukt. Want er is een nog kwalijker uitleg denkbaar over die Nederlander. Namelijk de Nederlander die het dan wel opneemt voor de hulpvragende vreemdeling aan de poort, maar dit doet uit berekening, omdat ook hij zich slachtoffer voelt, door wilszwakte, onvermogen iets te ondernemen en zich klein maakt om een ander de kastanjes uit het vuur te laten halen. Hij ziet die vreemde als gelijke, als medestander in de strijd om het bestaan die beiden uit de weg gaan.

Hoe dat ook zij, Mohamed Rasoel voorspelt onheil door zoveel gebrek aan inzicht en wilszwakte. Het is niet toevallig dat het pamflet in 1990 grote beroering wekte en dat het de veronderstelde schrijver, ene Zoka Mansoor A., een uit Pakistan afkomstige revue artiest, op een veroordeling wegens aanzetten tot haat op grond van ras of geloofsovertuiging kwam te staan. De sfeer in het land was dusdanig dat men zich gekrenkt moest voelen, bij de zuiveren van geest omwille van de vluchteling, bij de berekenende Nederlander door het gevoel zich in de kaart te hebben laten kijken.

Het is niet daarom dat ik dit stukje schrijf. Neen, het gaat hier om de vraag wie het pamflet werkelijk geschreven heeft. Dat Zoka Mansoor A. het helemaal alleen heeft geschreven kan ik niet aannemen. Daarvoor is de stijl te wisselvallig, hier en daar literair en scherpzinnig, met een kennis van zaken die men van een revue artiest niet kan verwachten. Ene W. Drees uit ’s-Gravenhage schreef naar aanleiding van een bericht in de NRC een ingezonden brief, geplaatst op 9 november 1990. Hij neemt stelling tegenover de mening van de taalkundige prof. T.A. van Dijk dat Gerrit Komrij de schrijver zou zijn, hetgeen de laatste verontwaardigd ontkende. Eerlijk gezegd zou ook mij dat verbazen, want Gerrit Komrij meen ik te kennen als een letterkundige die als zoveel van zijn soortgenoten zich kon laten verblinden door het geweeklaag. Zonder het pamflet te kennen formuleert W. Drees behoedzaam dat naar zijn mening Gerrit Komrij niet de schrijver kan zijn. Drees kent Komrij niet, maar Rasoel wel, die allochtoon is, geen perfect Nederlands spreekt en onvoldoende kennis van de Nederlandse instituties heeft. Drees meent aan de hand van de persberichten dat het motief van Rasoel is de waarschuwing tegen onverdraagzaamheid, tegen fundamentalisme.

Allereerst, wie was deze W. Drees? Hij zou de zoon dan wel de kleinzoon van de grote Drees kunnen zijn. De zoon als leider van de teloorgegane politieke partij DS ’70 die zich verzette tegen het verloederde socialisme, ofwel de kleinzoon, natuurkundig en theologisch geschoold. Bij mij kwam even de gedachte op dat deze Drees zelf de auteur van het geschrift zou kunnen zijn geweest, maar verwierp dat onmiddellijk. Het geslacht Drees kenmerkte zich door gedegenheid, behoedzaamheid, wars van strapatsen.

Er was eens in Nederland een pamflettist die zich bediende van zoveel schuilnamen dat zijn slachtoffers wel in de war moesten raken en dat was natuurlijk ook de bedoeling. Piet Grijs, Stoker, Raoul Chapkis, Battus, Victor Baarn, Batticus, Hugo Battus, Dolf Cohen, Maaike Helder, Peter Malenkov, Talisman en dat is nog maar een fractie van zestig of zeventig andere schuilnamen waarvan hij zich bediende. Ik herinner mij dat Battus de toenmalige minister president Biesheuvel niet kon uitstaan vanwege diens walgelijke operettehoofd. Ook Piet Grijs maakte het zeer grijs en zo verder. Zelf vond ik dat deze pamflettist eruit zag als een aan het celibaat ontsnapte priester met de verholen blik of hij daar wel goed aan gedaan had. Misschien dat hij daardoor zulke fletse kinderen kreeg. Beiden traden dan wel in de voetsporen van de vader, echter hun bespiegelingen over het leven smaken naar slappe thee.

Maar de vader vermoordde de loopbanen van de criminoloog Wouter Buikhuisen en de rechtsfilosoof Paul Cliteur. Hij doet denken aan de linkse rakkers na de oorlog die voor Moskou de poort openden, maar schielijk hun waffel hielden zodra uitkwam dat ze in de oorlog fout geweest waren. En men moet er bewondering voor hebben dat Piet Grijs het zo wist te klaren dat niemand op de gedachte kwam hem aan te geven voor aanzetting tot haat, alhoewel Buikhuisen als gevolg van diens aanvallen te maken kreeg met bommeldingen, zijn oratie werd verstoord en hij met de dood werd bedreigd. Ook Cliteur voelde zich door zijn opiniestukken bedreigd, als ook door die van Marcel van Dam en Thijs Wöltgens.

Er heerst een gespleten geest in Nederland. De één mag aanzetten tot haat, omdat het politiek correct is. De ander mag het niet, omdat de waarheid verdraaid mag blijven worden. De in Oost Duitsland onder het Stasi bewind levende protestzanger Wolf Bierman zou hiermee uit de voeten hebben gekund, die in zijn liederen de moraal vertolkte waarvan hij over zijn nek ging.

Het is maar een gedachte. Het raadsel van Mohamed Rasoel blijft onopgelost, misschien is het Piet Grijs geweest die het schreef, om zijn geweten te sussen.



Kleding

Literatuur Posted on Thu, March 30, 2017 16:49:31

HOOFDDOEK

 

Zag gisteren bij Pauw op de teevee een vrouw met een hoofddoek. Op gevaar af hiermee aanstoot te geven wil ik kwijt mij hier zorgen over te maken. Ik weet dat politici ons willen dwingen dat normaal te vinden, maar bij mij kan het er niet in. Die vrouw had een hoofddoek zo strak om haar hoofd gebonden dat ze er wel in kon smoren. Ze zat naast een professor die ging over de veiligheid en die zei dat er veel meer radicale jongeren waren dan we dachten. Die vrouw was een soort sociaal werkster binnen de moslimgemeenschap en probeerde jongeren daar te behoeden voor verkeerde gedachten. Men zegt wel en dat zei die mevrouw met die hoofddoek ook dat radicalisering niets met de islam te maken heeft en dat ook vele moslims het slachtoffer zijn. Ik ervaar dat toch als een belemmering van de vrije gedachte want radicalisering komt eigenlijk alleen onder moslims voor. Radicalisering, moordzucht tegenover andersdenkenden is het resultaat van een aantal omstandigheden. Allereerst het geloof zelf dat zoiets moet rechtvaardigen. Dat doet de koran ook al willen geletterde moslims daar over heen lezen. Verder de aanwezigheid van machtswellustelingen die aan hun genot komen door te onderdrukken en in het zich gekleineerd voelen het middel zien tot het oproepen van wraak tegenover critici. Verder het analfabetisme, de ongeletterdheid, de slaafse navolging door het onvermogen te kunnen oordelen.

Waarom droeg die vrouw bij Pauw, die toch zou moeten kunnen oordelen, die afschuwelijke hoofddoek? Ik breek me daar het hoofd over. Ze wordt daartoe gedwongen of ze wil het zelf. Als ze het zelf wil weet ze dat het in ons land aanstoot geeft. Ik kan me niet voorstellen dat die hoofddoek gedragen werd om zich tegen de kou te beschermen. Integendeel, in die warme omgeving van dat praatprogramma moest die hoofddoek toch al gauw verstikkend worden. Dat het met zo’n hoofddoek niet prettig zit leren ook onze koninginnen die in het Midden Oosten met zo’n ding op lopen terwijl ze dat hier wel nalaten.

Ik dacht toen als die mevrouw het zelf wil en het heeft geen nut, dan is het om te laten zien hoe je je behoort te kleden. Sociale dwang dus. Men kan tegenwerpen dat het onschuldig was, zoiets als klederdracht of een clubuniform. Toch werd mijn ongerustheid er niet minder door want het gezegde ’s lands wijs ’s lands eer gold bij ons niet meer. Tot ik op een bevrijdende gedachte kwam. Misschien was zij undercover.



« PreviousNext »